Scholen is noodzakelijk

Hij overweegt bedrijven te verplichten een bepaald percentage van de loonsom uit te geven aan scholing. "Wij moeten kiezen voor het recht op scholing, maar ook voor de verplichting van werknemers om bij te leren." Binnenkort houdt hij daarover een lezing op een studiedag van de opleidingsfondsen van bedrijfssectoren. De minister is pessimistisch over de arbeidsmarkt als er niets verandert aan de opleidingen.

Werknemers die vergeten om hun kennis bij te spijkeren kunnen straks niet meer met nieuwe technologie, zoals robots overweg, vreest hij. De werkloosheid zal daardoor oplopen. Asscher denkt dat vooral middeninkomens de klos zijn en dat heeft maatschappelijk grote gevolgen. Deze bevolkingsgroep brengt het gros van de belastingen op waar Nederland het sociale stelsel en de aanleg van infrastructuur van betaalt, zorgt voor sociale activiteit bij verenigingen en is als het ware het cement tussen rijk en arm. In het artikel schrijft Asscher: 'Robots kunnen straks schoonmaken, werken in distributiecentra en optreden als taxichauffeur. Alhoewel we niet precies weten wat de toekomst brengt, is afwachten een slecht idee. Wij moeten zo snel mogelijk een solide en tegelijk flexibel plan maken.'

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) schreef ruim twee jaar geleden al een gezaghebbend rapport over hoe Nederland altijd geld heeft verdiend en hoe dat in de toekomst moet gebeuren. Nederland doet het niet slecht, maar de factoren die het succes bepalen, de export bijvoorbeeld, raken uitgewerkt. Het opleidingsniveau in andere landen stijgt en dus is het zaak de strategie tegen het licht te houden. De WRR hamert erop dat werknemers voordurend moeten leren, kennis en creativiteit moeten ontwikkelen. Het rapport heet dan ook 'Naar een lerende economie'. Frans Leijnse, emeritus hoogleraar arbeidsmarkt en onderwijs, herkent de zorgen van Asscher. "Robotisering is maar een klein deel van het probleem. Dat speelt alleen in bedrijven die producten maken. Die sector, de maakindustrie, is in Nederland niet groot. Het gros van de werknemers zit in de dienstverlening; daar is meer flexibiliteit nodig , lenigheid van geest. Het gekke is dat de werkgevers de afgelopen twintig jaar veel energie hebben gestoken in het aannemen van personeel op flexibele contracten. Als ze de lange termijn voor ogen zouden hebben, zouden ze werknemers lang aan zich willen binden en de bereidheid vragen om flexibel te zijn: flexibel op het terrein van werktijden, in denken en bij het veranderen van functie." Het probleem wordt groter, signaleert ook CNV-voorzitter Maurice Limmen.

Mensen doen niet meer hun hele leven hetzelfde werk voor dezelfde baas. Bedrijven veranderen sneller, nieuwe ondernemingen komen op, oude activiteiten verdwijnen. Meedoen met nieuwe ontwikkelingen is daarom van levensbelang. Het kabinet brak zich de afgelopen jaren al regelmatig het hoofd over scholing voor werknemers onder de titel 'een leven lang leren'. Alexander Rinnooy Kan, voormalig voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (Ser) en senator voor D66, adviseerde erover. "Wij geven in Nederland veel minder geld uit aan her- en bijscholing dan andere landen, terwijl we de ambitie hebben om als kenniseconomie te excelleren. We zitten nu op het Europees gemiddelde, misschien net iets daaronder. Scandinavische landen zijn veel genereuzer. De uitgaven aan scholing zijn vooral karig als het gaat om oudere werknemers. Er wordt snel gedacht dat zij niet meer willen of niet meer kunnen, maar dat is aantoonbaar onzin." Conservatief Waarom wordt het probleem al lang herkend en verandert er weinig? Limmen heeft een simpele verklaring. Als het goed gaat met het bedrijf is er geen tijd voor scholing, als het slecht gaat is er geen geld.

Daarnaast speelt psychologie een rol: "De mens is conservatief. Werknemers hebben niet altijd zin in verandering. Scholing betekent dat zij iets nieuws moeten leren, dingen anders moeten doen dan zij gewend zijn." Werkgevers dragen ook schuld, zegt Limmen. Die bieden steeds vaker een tijdelijk contract en investeren niet in werknemers waarvan onduidelijk is of zij volgend jaar ook nog hun kennis en kunde inzetten. De vakbondsman stelt: "Werkgever en werknemer zien het niet als een gezamenlijk probleem." Steeds meer werknemers vinden het al moeilijk om werk en privé te combineren. Voorheen konden mensen makkelijker leren naast het werk, want de man had een baan en de vrouw zorgde voor het gezin. Nu hebben man en vrouw vaak allebei een baan en zij organiseren daarnaast opvang voor de kinderen en het huishouden. Scholing moet dus vooral in de tijd van de baas gebeuren en daar heeft het geen prioriteit. Als het probleem in het midden blijft liggen, komt niemand toe aan het beantwoorden van een paar essentiële vragen. Waartoe dient scholing? Is die alleen nuttig om de vaardigheden te verbeteren of kan iemand ook opleidingsgeld gebruiken voor persoonlijke ontwikkeling of omscholing? Mag een bouwvakker Spaans gaan studeren, kan een journalist alleen beter leren schrijven of kan hij ook elektrotechniek gaan studeren? Rinnooy Kan: "We hebben gezien dat een werkgever een MBA-opleiding ging betalen. Toen de werknemer het papiertje op zak had, zocht hij snel zijn fortuin elders. Dat kan natuurlijk niet. Je moet een formule vinden die voor werkgever en werknemer werkt."

De aanhoudende strijd tussen het publieke onderwijs en privaat gefinancierde opleidingen helpt niet. De overheid zou natuurlijk graag zien dat volwassenen meer studeren, maar als daarvoor geld beschikbaar wordt gesteld aan hogescholen en universiteiten klagen bedrijven die ook opleidingen aanbieden over oneerlijke concurrentie. Dus worden deeltijdopleidingen aan hogescholen en universiteiten noodgedwongen onaantrekkelijk gemaakt met als gevolg dat het aantal volwassenen dat een deeltijdstudie volgt terugloopt. Honderd euro De opleidings- en ontwikkelingsfondsen, O&O in vaktermen, zouden een belangrijke rol moeten spelen. Dit soort scholingsfondsen heeft bijna iedere sector. Er zijn er 135 in Nederland en zij hebben samen ongeveer 550 miljoen euro in kas. De jaarlijkse bestedingen bedragen minder dan honderd euro per werknemer, vertelde een organisatieadviseur vorig jaar op een bijeenkomst van het landelijke 'O&O platform'. De reserves dalen: er wordt de laatste jaren meer uitgegeven dan de bedrijven aan contributie betalen. De fondsen worden bestuurd door werkgevers en vakbonden. Zij beseffen dat de arbeidsmarkt verandert en dat werknemers van de ene sector naar de andere hoppen, maar de vakopleidingen zijn nog steeds erg gericht op de eigen omgeving. Soms is er bemiddeling en omscholing naar werk in een andere sector. De metaalsector bijvoorbeeld, regelde dat in de laatste crisisjaren, maar die verandering gaat traag. Vorige week maakte de Tweede Kamer zich daar druk over. Een meerderheid wil dat geld uit de ene sector vaker wordt gebruikt om werknemers voor een andere branche op te leiden. Dat komt iedereen ten goede, betogen met name CDA en D66. Het maakt de arbeidsmarkt flexibeler en stimuleert innovatie. De SP verdedigt de besturen van de sectorfondsen die op de rem staan: het geld is bijeengebracht door bedrijven in één specifieke tak; waarom moeten bedrijven en mensen die niets hebben betaald daarvan profiteren? Als iemand naar een andere branche wil moeten de bedrijven daar de portemonnee trekken, vinden de socialisten. Asscher verkiest het midden. Hij meent dat scholingsfondsen zelf tot samenwerking moeten komen en hun geld anders moeten besteden. Vakbonden en werkgevers gaan daar zelf over, vindt hij, en de minister ziet al langzaam verbetering: "Een tocht van duizend mijl begint met één stap."

Rinnooy Kan vindt dat Asscher werkgevers en werknemers bij elkaar moet roepen en 'uitleggen hoe belangrijk scholing voor Nederland is'. "Het is noodzakelijk dat er een goed klimaat ontstaat." Het voorstel van de minister om een vast percentage van de loonsom voor scholing te reserveren vindt de voormalig Ser-voorzitter 'een beetje grof'. "Laten we eens uitgaan van 1 procent. Misschien is dat voor de ene werknemer te veel, voor de ander te weinig. De financiering is misschien niet het grootste probleem. Het gaat hier vooral om de verandering van een mentaliteit. In een groot bedrijf is, denk ik, scholing wel onderdeel van de bedrijfsvoering, maar bij de kleinere bedrijven niet. Iets meer politieke druk zou best kunnen helpen." Ook Leijnse meent dat geld geen probleem is. "Bedrijven zitten goed in de slappe was. Ze zouden het beter moeten besteden. In een groot deel van de cao's is al een deel van de loonruimte bestemd voor scholing. Maar de invulling is slecht ontwikkeld, er zit geen professioneel plan achter." Bijspijkeren De minister moet zich niet te veel bemoeien met de afspraken van werkgevers en werkgevers, meent Limmen. Maar hij onderschrijft de gedachte van Asscher dat er meer vaart moet komen achter de plannen om kennis van werknemers bij te spijkeren.

Het CNV pleit voor een individueel scholingsbudget. Het geld daarvoor moet komen van de werkgever, de werknemer én van de overheid. Dat maakt een werknemer onafhankelijk van het bedrijf: hij kan zijn eigen keuzes maken en is er ook zelf voor verantwoordelijk dat hij of zij de ontwikkelingen in het vak bijhoudt of zich tijdig laat omscholen. Een eigen scholingspotje verhuist mee als de werknemer van baan verandert. In een aantal cao's is dat idee al verwerkt, zegt Limmen, en nu de economie aantrekt is er ruimte voor meer.

Meer nieuws

Lees nog meer van onze nieuws artikelen: